Hou toch op met ontwikkelingssamenwerking!
De bovenstaande uitspraak wordt steeds vaker gehoord en is natuurlijk ook onderwerp van gesprek binnen Ujima. Deze nieuwsbrief besteedt aandacht aan deze uitroep.
Ujima weet als geen ander dat de wereld van de ontwikkelingssamenwerking ingewikkeld in elkaar zit. Er is in de afgelopen jaren steeds meer kritiek gekomen vanuit diverse hoeken. Verschillende boeken zijn geschreven waarin aangegeven wordt waarom de ontwikkelingssamenwerking gestopt moet worden. Het is jammer dat deze boeken vaak erg goed zijn in het bekritiseren van de ontwikkelingssamenwerking, maar vaak niet een duidelijk alternatief geven.
Ujima traint haar deelnemers onder andere in het geven en ontvangen van feedback. De deelnemers wordt geleerd om te beginnen met een compliment, vervolgens het gedrag dat als vervelend wordt ervaren te benoemen en af te sluiten met een suggestie om het gedrag te veranderen. Klinkt logisch toch? Helaas beperkt de discussie rondom de ontwikkelingssamenwerking zich vaak tot het benoemen van juist dat vervelende gedrag. Dat is jammer.
De volgende standpunten worden regelmatig gehoord:
- 50 jaar ontwikkelingsamenwerking heeft weinig bereikt;
- Het geld dat in ontwikkelingssamenwerking wordt gepompt zorgt er alleen maar voor dat lokale overheden hun verantwoordelijkheid niet hoeven nemen;
- En een gouwe ouwe: Don’t give aid give trade! (geef handel, geen hulp).
Ujima is zelf redelijk kritisch ten opzichte van ontwikkelingssamenwerking
Er zijn verschillende vormen van ontwikkelingssamenwerking: directe begrotingssteun van land aan land, programma-implementatie dat betaald wordt door de donoroverheid aan nationale ontwikkelingsorganisaties, particuliere projecten en natuurlijk lokale initiatieven.
De discussie over 50 jaar ontwikkelingssamenwerking, gaat ons inziens, vooral over de steun van westerse landen aan ontwikkelingslanden. Dit moet echter in een breder kader worden geplaatst. Natuurlijk is ontwikkelingssamenwerking vooral bedoeld om de levensstandaard van mensen in ontwikkelingslanden te verbeteren.
Men moet echter niet vergeten dat er ook andere belangen meespelen in de besluitvorming rondom het geven van steun. Door overheden financieel te ondersteunen behoud de donoroverheid de plek aan tafel en kunnen veranderingen worden afgedwongen. Beleid rondom zaken als mensenrechten, corruptie, goed bestuur, maar ook handel en veiligheid et cetera kunnen op die wijze min of meer worden afgedwongen.
Ujima is van mening dat het belangrijk is dat de internationale gemeenschap de plek aan tafel behoud. De gewelddadige nasleep na de betwiste verkiezingsuitslag in Kenia van 2007 en 2008 is mede door het ingrijpen van de internationale gemeenschap niet geëscaleerd tot een volledige burgeroorlog.
Wel is het zo dat ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s de menselijke maat moeten behouden. Doordat overheden steeds minder geld hebben om programma’s te volgen en te beoordelen wordt vaak besloten het ontwikkelingsgeld te verdelen over een beperkt aantal ontwikkelingsorganisaties. In het bijzonder de Amerikanen hebben er nogal een handje van om projecten alleen af te rekenen op resultaten. Ujima traint 180 deelnemers per jaar. Ujima vindt dat we pas succesvol zijn als deze deelnemers daadwerkelijk een baan hebben. Als Ujima zou meedingen voor het grote geld dan zouden we de baan als succesbepaler moeten vergeten. Ujima zou dan gemakkelijk 10.000 mensen per jaar kunnen trainen. Dat deze mensen vervolgens geen baan kunnen vinden of onvoldoende zijn toegerust maakt voor de resultaten niet uit. Het laatste zorgt mede voor de slechte reputatie van de ontwikkelingssector. Ujima is daar wars van en werkt in partnerschap met haar donoren. Natuurlijk spelen resultaten een rol, ook Ujima stuurt hierop aan, maar ook de kwaliteit van de resultaten is belangrijk! Ujima traint en begeleidt 180 mensen per jaar en is pas klaar als zij allemaal een baan hebben gevonden.
Er gaan steeds vaker stemmen op dat ontwikkelingsamenwerking ertoe bijdraagt dat overheden achterover kunnen zitten en het aanbod van onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur kunnen overlaten aan donoren. Ujima is het eens met dit punt. Voor Kenia lijkt te gelden dat de overheid voldoende belastinggeld zou moeten kunnen innen om de nationale begroting te kunnen dekken.
Het geld van de overheidsbegroting voor deze posten schijnt vervolgens te verdwijnen in de zakken van overheidsfunctionarissen. Aangezien de gemiddelde Keniaan toch toegang heeft tot onderwijs, medische zorg en voedselhulp (dat de kwaliteit vaak beroerd is laten we even buiten beschouwing) zorgt er voor dat het gevoel van frustratie onder de bevolking redelijk onder bedwang wordt gehouden. Hierdoor krijgt de Keniaanse overheid het voor elkaar om weg te komen met schandaal na schandaal zonder dat het kabinet valt. De maatschappelijke organisaties roeren zich wel zo nu en dan maar tijdens een ronde-tafel-gesprek met een Amerikaanse senator afgelopen jaar werd pijnlijk duidelijk dat er eigenlijk alleen geluisterd wordt naar de internationale gemeenschap en niet de lokale. Veranderingen moeten juist worden afgedwongen vanuit de lokale gemeenschap! De bevolking moet grip krijgen op het besluitvormingsproces en eisen gaan stellen. Dit geldt voor een ouder waarvan het kind van school wordt gestuurd omdat het lesgeld niet is betaald, terwijl het basisonderwijs gratis behoort te zijn, het niet omkopen van een politieagent op straat tot het dwingen van politieke partijen om te komen tot een partijmanifest in plaats van het blind volgen van een lokale leider op basis van etniciteit.
Daarom beperkt Ujima zich in haar programma’s niet tot alleen het trainen voor werknemersvaardigheden, maar wordt er veel aandacht besteed aan goedburgerschap. Op die manier zorgt Ujima ervoor dat de deelnemers zich ervan bewust zijn dat het werk van Ujima eigenlijk zou moeten worden uitgevoerd door de overheid. Tot er een mondige burgerij ontstaat, heeft iedere partner in het ontwikkelingsproces een rol te spelen. De donoroverheden om druk uit te oefenen op de lokale overheden, het maatschappelijk middenveld, waaronder de lokale organisaties, om de lokale bevolking te activeren en de politici om het beleid te veranderen.
De “Give Aid not Trade” discussie
Ujima is het eens met deze slogan, het motto van ons “The best support is self-support” komt eigenlijk op microniveau op hetzelfde neer. Met handelsbevordering alleen kom je er echter niet. Wat heb je aan een fabriek als je geen gemotiveerd personeel kunt vinden, want wat heb je aan exportmogelijkheden als het wegennetwerk weer uit elkaar valt? Verder is er natuurlijk het eeuwenoude probleem van marktbescherming waardoor er op rauwe producten nauwelijks belasting wordt geheven, maar op het eindproduct torenhoge heffingen worden toegepast terwijl daar nu juist voor de Keniaanse markt de winst te pakken is. Welke interventie dan ook geldt, de overheid moet erbij worden betrokken. Vooral het laatste is erg lastig voor veel organisaties, waaronder Ujima, maar is een stap in de richting van duurzame ontwikkelingssamenwerking.
Al met al is Ujima van mening dat ontwikkelingssamenwerking alleen kan werken als aan de volgende voorwaarden kan worden gedaan:
- De ondersteuning die wordt gegeven beantwoordt een vraag van de lokale gemeenschap / doelgroep;
- De aanpak is integraal en richt zich op sociaal- en economische ontwikkeling;
- De aanpak is duurzaam en heeft de mogelijkheid zichzelf te bedruipen dan wel de mogelijkheid dat de overheid het werk op termijn overneemt;
- Neemt de verantwoordelijkheid niet over van de doelgroep, maar begeleidt de ontvangers van de ondersteuning in het zelf maken van keuzes.
Hoe bedrijft Ujima ontwikkelingssamenwerking?
Ujima gelooft in ontwikkelingssamenwerking nieuwe stijl. Bij het ontwikkelen van de plannen is het bovenstaande standpunt meegenomen. Sinds 2005 heeft Ujima trainingsprogramma’s in Kenia. Nu geeft Ujima per jaar 180 deelnemers toegang tot de arbeidsmarkt. Alle deelnemers zijn hun ouders verloren, vaak aan de gevolgen van Aids. Ujima traint deze jongvolwassenen op een manier dat zij in staat zijn een baan te krijgen en te behouden. Een baan betekent dat zij en de kinderen in hun zorg toegang krijgen to degelijke huisvesting, basisonderwijs en medische voorzieningen. Het is allemaal begonnen omdat Marc van de Giessen en Machiel Pouw de visie hadden dat kinderen in familieverband horen op te groeien.
Ujima vindt dat nog steeds belangrijk. Maar met de jaren komt er ook meer inzicht in de diepere problematiek. Hoewel de individuele deelnemer en “haar gezin” nog steeds centraal staat, probeert Ujima ook het netwerk, de gemeenschap en de maatschappij waarin de deelnemer opereert te bereiken. Dat doet Ujima door de deelnemer inzicht te geven dat slachtofferschap misschien op de korte termijn winstgevend is, maar op de lange termijn geen brood op de plank brengt, maar ook door de deelnemers te leren weloverwogen keuzes te maken. Deze twee componenten zorgen ervoor dat de deelnemers weerbaar zijn en volwaardig kunnen participeren in de maatschappij. Hierdoor worden de deelnemers van Ujima “Agents of Change”: zij dragen eraan bij dat de maatschappij waarin zij leven veranderd. Onderwerpen als corruptie, machtsmisbruik, het kennen van je grenzen en weten hoe je jouw omgeving positief kunt beïnvloeden is onderdeel van de module goedburgerschap, die in de afgelopen jaren steeds meer is uitgebreid.